Omgaan met driftbuien en moeilijke eters tijdens het oppassen
13 september 2024
Laatste update: 01 oktober 2026
Je oppasavond verloopt rustig, totdat een kind begint te schreeuwen of het bord wegduwt. Zulke momenten kunnen lastig zijn, zeker als je net begint als oppas. Hoe reageer je zonder de spanning te vergroten? Hieronder vind je praktische tips voor oppassers en gastouders over driftbuien, eten en overleg met ouders.
Waarom krijgt een kind een driftbui?
Jonge kinderen leren nog omgaan met gevoelens en teleurstellingen. Ze kunnen iets graag willen, maar nog niet goed uitleggen wat er aan de hand is. Boosheid of frustratie kan zich dan uiten in huilen, schreeuwen of stampen.
Vermoeidheid, honger, veel prikkels of een onverwachte verandering kunnen meespelen. Ook afscheid nemen van de ouders kan moeilijk zijn. Een driftbui betekent niet automatisch dat jij iets verkeerd doet, maar kijk wel of je aanpak en verwachtingen bij het kind passen.
Bespreek de routine vooraf
Vraag de ouders naar eetmomenten, bedtijd en situaties die hun kind lastig vindt. Wat helpt meestal om tot rust te komen? Een herkenbare routine en tijdige aankondiging van veranderingen kunnen helpen. Zeg bijvoorbeeld: 'We spelen nog even en gaan daarna aan tafel.'
Lees ook: Ga je voor het eerst oppassen? Bekijk deze 10 tips.

Wat doe je tijdens een driftbui?
Controleer eerst of het kind en de omgeving veilig zijn. Haal gevaarlijke spullen weg en voorkom dat het kind zichzelf of anderen pijn doet. Blijf dichtbij en probeer zelf rustig te ademen en te praten.
Erken het gevoel en houd grenzen duidelijk
Gebruik korte zinnen, zoals: 'Je bent boos omdat we stoppen met spelen.' Je hoeft de boosheid niet weg te praten. Maak wel duidelijk welk gedrag niet kan: 'Je mag boos zijn, maar ik laat je niet slaan.'
Ga tijdens de heftigste boosheid niet uitgebreid uitleggen of onderhandelen. Bied nabijheid aan en kijk wat het kind prettig vindt. Sommige kinderen willen een knuffel, andere hebben liever wat ruimte terwijl je in de buurt blijft. Dwing lichamelijk contact niet af.
Bied kleine keuzes op een rustig moment
Een eenvoudige keuze kan helpen wanneer het kind weer iets kan luisteren. Vraag bijvoorbeeld: 'Wil je zelf naar de tafel lopen of samen met mij?' Bied alleen mogelijkheden aan die allebei passen binnen de afspraken.
Afleiding kan soms helpen als frustratie net begint. Je kunt een boek of rustige activiteit voorstellen. Verwacht niet dat dit iedere driftbui stopt en blijf aandacht houden voor wat het kind nodig heeft.

Huilen bij een baby is iets anders dan een driftbui bij een peuter. Controleer volgens de instructies van de ouders of de baby voeding, een schone luier, rust of troost nodig heeft. Neem contact op met de ouders als het huilen ongewoon is of je twijfelt.
Wat doe je als een kind niet wil eten?
Een kind kan weinig trek hebben, een smaak nog niet kennen of moe zijn. Vraag vooraf aan de ouders hoe zij maaltijden aanpakken en of er allergieën, voedingsafspraken of andere bijzonderheden zijn.
Houd de maaltijd ontspannen
Bied de afgesproken maaltijd aan in een kleine portie. Laat het kind bepalen hoeveel het daarvan eet en geef meer als het nog trek heeft. Dwing niet om te proeven of het bord leeg te eten.
Eet waar mogelijk samen en houd de aandacht bij het eetmoment. Gebruik geen scherm om ongemerkt hapjes te geven en maak een toetje niet afhankelijk van hoeveel groente er is gegeten.
Verander de afspraken niet op eigen initiatief
Je kunt het eten aantrekkelijk presenteren, maar je hoeft geen uitgebreide trucjes te bedenken. Bied niet steeds andere gerechten of tussendoortjes aan om toch iets binnen te krijgen. Overleg met de ouders als je niet weet wat je moet doen.
Vertel na afloop wat er ongeveer gegeten en gedronken is. Beloof niet dat de eetlust vanzelf terugkomt: langdurig weinig eten of drinken vraagt aandacht van de ouders.

Meer lezen: 5 oppastips voor een moeilijke eter.
Praat kort na als het kind rustig is
Als de spanning voorbij is, kun je kort benoemen wat er gebeurde. Bijvoorbeeld: 'Je wilde verder spelen en werd boos toen we gingen eten.' Geef het kind ruimte om iets te vertellen, maar verwacht niet dat het precies kan uitleggen waarom het zo reageerde.
Bedenk samen wat een volgende keer kan helpen. Een kind kan bijvoorbeeld om hulp vragen, zeggen dat het boos is of even op een rustige plek zitten. Houd het eenvoudig en passend bij de leeftijd.

Benoem concreet wat goed gaat
Geef aandacht aan gedrag dat helpt, zoals hulp vragen of vertellen wat er scheelt. Zeg bijvoorbeeld: 'Je vertelde dat je hulp nodig had, daardoor kon ik je helpen.' Je hoeft een kind niet te prijzen omdat het gevoelens onderdrukt of het bord leeg eet.

Wanneer schakel je de ouders in?
Neem contact op als je de situatie niet veilig kunt houden, het gedrag sterk afwijkt van wat de ouders hebben beschreven of je vermoedt dat een kind pijn heeft of ziek is. Overleg ook als eten of drinken niet lukt en je je zorgen maakt.
Merk je dat je zelf te gespannen raakt om rustig te reageren? Vraag de ouders of de afgesproken achterwacht om hulp. Je hoeft een moeilijke situatie niet alleen op te lossen. Bij direct gevaar bel je 112.
Bespreek bij thuiskomst wat er gebeurde, wat je hebt geprobeerd en wat hielp. Vraag welke aanpak jullie de volgende keer aanhouden.
Conclusie
Oppassen brengt soms lastige momenten met zich mee. Blijf dichtbij, zorg voor veiligheid en combineer begrip met duidelijke grenzen. Houd maaltijden ontspannen en stem je aanpak af met de ouders. Vraag hulp als je twijfelt of de situatie je te veel wordt.