Luistert een kind niet naar je tijdens het oppassen? Blijf rustig, zoek contact en vertel kort wat je verwacht. Kijk ook of het kind je begrijpt of ergens mee zit. Houd je aan de afspraken van de ouders en geef het kind de tijd om te reageren.
Niet luisteren is niet altijd bewust tegenwerken. Een kind kan helemaal opgaan in een spel, moe zijn of moeite hebben om te stoppen met iets leuks. Ook kan je uitleg te ingewikkeld zijn of vraag je iets wat het kind nog niet zelfstandig kan.
Ben je een nieuwe oppas? Dan moeten jullie elkaar nog leren kennen. Vraag de ouders vooraf welke regels gelden en hoe zij omgaan met lastige momenten. Dat geeft je houvast en maakt de situatie herkenbaar voor het kind.
Loop naar het kind toe in plaats van vanuit een andere kamer te roepen. Noem de naam en ga zo nodig op ooghoogte zitten. Kijk of je de aandacht hebt voordat je iets vraagt, zonder oogcontact af te dwingen.
Vertel wat het kind wél moet doen. Zeg bijvoorbeeld: "Loop rustig door de kamer" in plaats van alleen "Niet rennen". Houd je uitleg kort en pas je woorden aan de leeftijd aan.
Vraag niet tegelijk om speelgoed op te ruimen, een pyjama aan te trekken en tanden te poetsen. Begin met één stap: "Doe de blokken in de bak." Geef het kind daarna even tijd om te beginnen en help als dat nodig is.
Een keuze kan helpen als een kind graag zelf iets wil bepalen. Zeg bijvoorbeeld: "Wil je de blauwe of de groene pyjama aan?" De keuze gaat dan over welke pyjama het wordt; de afspraak dat het tijd is om zich om te kleden blijft staan.
Bied alleen keuzes aan die allebei kunnen. Vraag niet of een kind naar bed wil als de afgesproken bedtijd al is aangebroken.
Laat merken dat je ziet wanneer het kind meewerkt. Maak je compliment concreet: "Je hebt de blokken in de bak gedaan, fijn dat je helpt." Zo is duidelijk welk gedrag je waardeert.
Herhaal rustig wat de bedoeling is en vraag wat het lastig maakt. Misschien wil het kind een bouwwerk bewaren of lukt een knoop van de pyjama niet. Soms helpt een kleine oplossing meer dan opnieuw dezelfde opdracht geven.
Is het kind boos of overstuur? Erken het gevoel en houd de grens duidelijk: "Je wilt graag verder spelen. Dat snap ik. Het is nu tijd om naar bed te gaan." Geef ruimte om rustig te worden en blijf beschikbaar.
Blijft een kind met speelgoed gooien? Zeg dat gooien iemand pijn kan doen en leg het speelgoed zo nodig tijdelijk weg. Kies een reactie die bij de situatie past en aansluit op de afspraken met de ouders.
Vermijd dreigementen, schreeuwen en vernederende opmerkingen. Stel eten, drinken of troost niet afhankelijk van gehoorzamen. Bij gevaar grijp je meteen in: je wacht bijvoorbeeld niet op medewerking als een kind de straat op wil rennen.
Vertel na het oppassen concreet wat er gebeurde, hoe je reageerde en wat wel of niet hielp. Vraag wat de ouders thuis doen en spreek af hoe je een volgende keer reageert.
Kun je de situatie niet veilig houden of weet je niet meer hoe je verder moet? Bel de ouders tijdens het oppassen. Je hoeft een moeilijke situatie niet alleen op te lossen.